HerkomstIn de betekenis van ‘de afmeting dik, het dik-zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1351
- dikheid, zwaarlijvigheid
- mate waarin iets een grote dwarsdoorsnede heeft
“de dikte van die balk is 25 centimeter”
“Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar”
- dichtheid, consistentie, #:*de dikte van die olie is groot
- zwelling
“de dikte van mijn enkel is verontrustend”
- form-ofenkelvoud verleden tijd van dikken
“Ik dikte.”
“Jij dikte.”
“Hij, zij, het dikte.”
Vormendikten, diktes(plural) · diktetje(diminutive, singular) · diktetjes(diminutive, plural)