ˈdodən, /ˈdo.də(n)/, /ˈdo.də(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘van het leven beroven’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitivevan het leven beroven, vermoorden
“De vrouw werd op koelbloedige wijze gedood.”
“De man die vastzit vanwege de moord op de Japanse oud-premier Shinzo Abe heeft tegen de politie gezegd dat hij aanvankelijk een leider van een religieuze groep wilde doden, meldt het Japanse persburea”
“Het was gemakkelijk om de Engelsen te haten, ten slotte zo gemakkelijk dat het een plezier was ze te doden.”
- de tijd doden: iets doen om je niet te vervelen
“In de wachtkamer van de arts liggen tijdschriften om de tijd te doden.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord dode
“Van dode levenden werden wij levende doden.”
Vormendoodde(past) · gedood(past, participle) · te doden(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen doden(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen doden(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gedood(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gedood(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gedood zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gedood te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · dodend(imperfect, participle) · ev.
dood(imperative) · dode(subjunctive) · dood(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · doodt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · doodt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · doodde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · doodde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · doodde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · doodden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · doodden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)