/'dɔɣma/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vastomlijnd geloofsartikel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1804
- een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
“Hij hield zich vast aan een dogma.”
“Petje af, maar ik heb me altijd bij het inconsequente theater gehouden. Of bij het theater van de twijfel. Dat in principe vrij van elk dogma is.”
Vormendogma's, dogmata(plural) · dogmaatje(diminutive, singular) · dogmaatjes(diminutive, plural)