HerkomstIn de betekenis van ‘dompelen, door doop in geloofsgemeenschap opnemen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitivebevochtigen door indompeling in een vloeistof
- transitiveiemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
- transitiveeen naam geven, met name bij het dopen
“Het schip werd gedoopt met de naam "de Volharding"”
- transitivevoor het eerst ondergaan
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord doop
Vormendoopte(past) · gedoopt(past, participle) · te dopen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen dopen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen dopen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gedoopt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gedoopt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gedoopt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gedoopt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · dopend(imperfect, participle) · ev.
doop(imperative) · dope(subjunctive) · doop(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · doopt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · doopt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · doopte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · doopte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · doopte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · doopten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · doopten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)