dɔrst
- behoefte aan drinken, zoals water
“Na de lange reis door de woestijn hadden de reizigers veel dorst.”
“Hierdoor had ik steeds zoveel dorst dat mijn watervoorraad van ruim zeven liter erg snel op dreigde te raken.”
- figurativelyeen groot verlangen naar iets, zoals geld, goud of succes
“De dorst naar macht is niet te lessen.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van dorsten
- form-ofgebiedende wijs van dorsten
- form-oftweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dorsen
- form-ofderde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dorsen
- form-of, obsoletegebiedende wijs meervoud van dorsen
- form-ofenkelvoud verleden tijd van durven
“Ik dorst.”
“Jij dorst.”
“Hij, zij, het dorst.”
- form-ofonverbogen vorm van de overtreffende trap van dor
Vormen[A] dorst(canonical) · [B] dorst(canonical) · [C] dorst(canonical)