/draːt/
OriginIn de betekenis van ‘garen, vezel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
- in elkaar gesponnen vezels
“De draad van de ophanging was gebroken en daardoor lag het schilderij op de grond.”
“'Isaac is mijn broer,' zei ze in het Engels. Ze zag dat Olive bloosde, terwijl ze een losse wollen draad van haar trui trok. 'O,' zei Olive. 'Ik dacht ' 'Nee. We hebben - hadden - verschillende moeder”
- de vanzelfsprekende opeenvolging van tekstonderdelen die voor de begrijpelijkheid van een tekst noodzakelijk is
“De draad van het verhaal wordt hier en daar lelijk onderbroken door onbenullige uitweidingen.”
- de meestal geïsoleerd uitgevoerde, betrekkelijk dunne elektrische geleider in verbindingsmateriaal zoals snoeren en kabeltjes
“De verbindingen per draad worden in rap tempo vervangen door draadloze verbindingen: Wi-Fi en bluetooth, dat is pas handig.”
- obsoleteoude bijnaam voor een radiotelegrafist
“De draad heeft zijn bijnaam te danken aan de oude benaming voor radio: "draadloze verbinding". De telegraaf- en telefoonverbindingen via kabels bestonden al langer.”
- abbreviationeen verkorte uitdrukking voor "schroefdraad"
“Er zit geen draad meer op deze moer, hij is dolgedraaid.”
- vezel van vlees, hout en andere materialen
- lang, dun en buigbaar stuk metaal
Formsdraden(plural) · draadje(diminutive, singular) · draadjes(diminutive, plural)