/droːx/
Herkomsterfwoord via Middelnederlands droge van Oudnederlands drugon. Proto-Germaans *draugi-. Verdere herkomst onbekend; mogelijk oorspronkelijk uit een substraattaal.
- geen of zeer weinig vocht bevattend
“Die broek is weer droog.”
“Haar ogen zijn moe en droog, en op haar nagels zit een roestbruine rest van Marens bloed.”
“Het drong langzaam tot me door wat het woord ‘wildernis’ eigenlijk betekende: niet romantisch en mooi, maar zwaar, droog, verlaten en pijnlijk.”
- niet overstroomd
“Olive liep haar achterna en bleef op een droog stukje staan waar Teresa nog niet was geweest.”
- zonder regen
“Het blijft droog vandaag.”
“Het is eindelijk droog geworden.”
- figurativelyzonder emotie te laten blijken
“Hij gaf slechts een droge reactie.”
“'Om strak ingebakerd te worden,' merkt Lysbeth droog op.”
- figurativelyop een quasi-ernstige manier humoristisch
“Ze is komisch, droog, vilein, naïef en tegelijk berekenend.”
- figurativelyzonder levendigheid
“Zijn geschiedenisboek was dik, maar nogal droog omdat het vooral uit een eindeloze opsomming van vorsten en hun verwanten bestond.”
- : niet zoet van smaak
“Mag ik van u een droge witte wijn?”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
- form-ofgebiedende wijs van drogen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
Vormendroger(uninflected, comparative) · droogst(uninflected, superlative) · droge(inflected, positive) · drogere(inflected, comparative) · droogste(inflected, superlative) · droogs(partitive, positive) · drogers(partitive, comparative)