dœyts, /dʌʏ̯ts/, /dœːts/
Herkomsterfwoord: Middelnederlands duutsc, dūtsch, Hollandse vorm naast Vlaams dietsc (zoals nu nog duiden naast Vlaams (be)dieden), ontwikkeld uit Oergermaans *þeuđiskaz ‘volks, eigen’, een afleiding van *þeuđo ‘volk, lieden’ met het bijvoeglijk achtervoegsel -iskaz. Doublet van Diets; evenals Nederduits düütsch, Duits deutsch, Fries (vero.) Tsjutsk ‘Duits’ en Oudengels þēodisć ‘van het volk’.
- linguistics, no-pluralWest-Germaanse taal die vooral gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk en delen van Zwitserland, Italië en België
“Het Duits is een taal die door veel mensen gesproken wordt.”
“Harold vloekte alleen maar in het Duits op momenten van grote stress of grote vrijheid.”
- betreffende Duitsland of het Duits
“Het Duitse kabinet heeft ingestemd met een wetsvoorstel dat voorziet in het straffen van managers en directeuren bij banken die zich niet aan nieuwe regelgeving houden”
“Ze besloot te verzwijgen dat ze ook had gewerkt voor een Duits gezin dat nog maar een paar maanden geleden was teruggekeerd naar Berlijn, waardoor ze ook een beetje Duits sprak.”
“Denemarken ook nauwelijks, in de pers hadden ze het uitgebreid gehad over de gemoedelijke verhouding tussen de Deense bevolking en de Duitse gasten. De koning en de regering van Denemarken zaten nog o”
- obsoleteNederlands
Bron: Wiktionary