/dʋɛi̯l/
OriginIn de betekenis van ‘schoonmaakdoek’ voor het eerst aangetroffen in 1546
- een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
“Maak die dweil eerst eens schoon, anders verplaats je het vuil alleen maar.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dweilen
- form-ofgebiedende wijs van dweilen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dweilen
Formsdweilen(plural) · dweiltje(diminutive, singular) · dweiltjes(diminutive, plural)