HerkomstIn de betekenis van ‘onnatuurlijk klein mens’ voor het eerst aangetroffen in 1301
- mensachtig wezen dat corpulent is, een baard heeft en een muts draagt, en erg kort van stuk is
“Nu ziet hij geen schilder, prinses, dwerg of vorst, hij ziet een portret van een hond.”
“"Sneeuwwitje en de zeven dwergen" is een beroemd sprookje.”
“De dwerg stond snel weer op, keek Netelbrand nerveus aan en wees toen met een bevende vinger naar de muur achter hem.”
- figurativelyabnormaal klein persoon (bij verdere uitbreiding ook gezegd van dieren of dingen)
“In ons Melkwegstelsel komen zeker een paar honderdduizend van zulke objecten voor ' Als gevolg van die materie- overdracht wordt de witte dwerg steeds zwaarder en als de massa ongeveer anderhalf maal ”
“Veel dwergen zijn patiënten met achondroplasie.”
Vormendwergen(plural) · dwergje(diminutive, singular) · dwergjes(diminutive, plural)