/ˈɛi̯ɣə(n)/
Herkomsterfwoord via Middelnederlands eigen / eighin van Oudnederlands ēgan , in de betekenis van ‘van het subject’ aangetroffen vanaf 1100, voltooid deelwoord van het werkwoord *eigan ('bezitten'), van Germaans *aiganan, vergelijk Oudhoogduits eigan, eigen, Angelsaksisch āgen, Engels own; als zelfstandig naamwoord 'bezit, eigendom' in Oudhoogduits eigan, Gotisch aigin
- op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf
“Eigen huis.”
“Vakantie in eigen land.”
“Terlouw was in de jaren 50 tijdens zijn studie natuurkunde in Utrecht wiskundestudente Alexandra van Hulst tegengekomen. Hij zou ruim zestig jaar met haar getrouwd zijn, tot haar overlijden in 2017. Z”
- typisch (voor)
“Experimenteren is eigen aan de leeftijd.”
“Iedere streek heeft iets eigens.”
“In De andere naam van Jon Fosse is de stijl zeker eigen. De Noorse meester van het langzame proza daalt in repetitieve, ritmische zinnen af in het hoofd van een piekerende schilder.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
- form-ofgebiedende wijs van eigenen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
Vormeneigener(uninflected, comparative) · eigenst(uninflected, superlative) · eigenere(inflected, comparative) · eigenste(inflected, superlative) · eigens(partitive, positive) · eigeners(partitive, comparative)