/ˈɛi̯sə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘verlangen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitivezeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
“Er werd een loonsverhoging geëist.”
“De demonstranten eisten het aftreden van de president.”
“Het esthetische is net als het 'id' het terrein van het zoeken naar genot, in het ethisch domein pas je je zinnelijkheid aan de eisen van de samenleving aan zoals het 'superego' dat doet, en het relig”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord eis
Vormeneiste(past) · geëist(past, participle) · te eisen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen eisen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen eisen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geëist(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geëist(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geëist zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geëist te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · eisend(imperfect, participle) · ev.
eis(imperative) · eise(subjunctive) · eis(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · eist(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · eist(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · eiste(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · eiste(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · eiste(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · eisten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · eisten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)