ˈɛŋkəl
HerkomstIn de betekenis van ‘voetgewricht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
- masculinegewricht dat de voet met het been verbindt
“'Met deze voet zal ik jullie niet meer kunnen gidsen,' zegt Giorgos, die zijn schoen inmiddels heeft uitgetrokken. Zijn enkel is dik en paars geworden.”
“Vanwege het gebrek aan steun echter moesten mijn enkels erg wennen aan het oneffen terrein.”
- neuterenkelspel
- niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
- niet dubbel
- alleen maar
“Stilletjes had ik geknikt, ik schaamde me dat hij enkel voor mijn matras naar de beddenzaak was gekomen.”
- weinig, een paar
“Er valt vandaag een enkele bui.”
“Enkele vragen hebben.”
Vormenenkels(plural) · enkeltje(diminutive, singular) · enkeltjes(diminutive, plural)