HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een loot op een andere boom bevestigen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitiveeen stukje weefsel van de ene boom inplanteren in een andere
“Bij het enten wordt een deel van een plant (de ent) vastgemaakt op een deel van een andere plant (de onderstam).”
- inenten
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord ent
Vormenentte(past) · geënt(past, participle) · te enten(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen enten(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen enten(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geënt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geënt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geënt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geënt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · entend(imperfect, participle) · ev.
ent(imperative) · ente(subjunctive) · ent(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · ent(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · ent(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · entte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · entte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · entte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · entten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · entten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)