ɛˈrœyt
Originsamenstelling van er en uit
- vervangt: *uit het, *uit ze
“Eruit!”
“Hij nam er wat uit.”
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
“eruitzien: hij ziet eruit alsof hij in de sloot gevallen is.”
“‘I’m Savage. What’s your name?’ klonk het vanachter de spiegelglazen. Ook al zag hij eruit als een wilde heavymetalfan, hij had een vriendelijke toon in zijn stem waardoor ik hem meteen mocht.”