ˈɛkstra
Herkomstvan Latijn extra, onder invloed van Frans extra bn als verkorting van extraordinaire "buitengewoon", in de betekenis van ‘bijkomend’ aangetroffen vanaf 1720 (zie vindplaats hieronder) en in die van ‘boven het gewone, bijzonder’ vanaf 1738
- hetgeen men erbij krijgt
“Het bedrijf had meer winst gemaakt dan verwacht, zodat er voor het personeel ook wel een extraatje afkon in de vorm van een ruime winstuitkering.”
“Doesburg: „Het extra dat dit toneelstuk biedt, is dat jullie personages, meer dan in het oorspronkelijke boek, vervuld zijn van tegengestelde gevoelens jegens Holleeder. Als toneelspelers kunnen julli”
“Elke doos bevatte ontbijtrepen, noten, rozijnen, tortillas en noodles, aangevuld met wc-papier en pillen zoals vitamines en visolie. Om het een beetje leuk te houden stopte ik er ook een extraatje in ”
- bijkomend
“U krijgt er nu een extra lampje bij.”
“Eigenlijk had ik totaal geen honger, maar het was noodzakelijk zo veel mogelijk calorieën binnen te krijgen. Er zou die dag namelijk pas na 32 kilometer water te vinden zijn, waardoor ik zeven liter w”
“⧖ Dan heb ik 'er noch vyf op Rotterdam, maar die leggen van de andere afgezonderd,
Want dat is iets extra, dat is het roompje van al de Compagnien.”
- opzettelijk
- van meer dan normale omvang, buitengewoon
“Ik raakte laatst echt in gesprek met een meneer. Die kocht een duur cadeau, voor zijn vrouw die ernstig ziek was. Ik heb het extra mooi ingepakt, en hij bedankte me uitvoerig.”
Vormenextra's(plural) · extraatje(diminutive, singular) · extraatjes(diminutive, plural)