HerkomstLeenwoord uit het Arabisch of frans, in de betekenis van ‘boetende bedelmonnik’ voor het eerst aangetroffen in 1788
- soefistische en soms ook hindoeïstische asceet die vooral voorkomt in India
“De natuur schommelt als de tulpen in het sprookjesbos van de Efteling: wanneer de fakir met zijn vliegend tapijt aan de ene kant van zijn tuin is en een magisch liedje fluit, komen er tulpen omhoog. M”
- wondermensen die vaak optreden als goochelaar
“Premanands eigen trucs maken hem populair bij kinderen.... Maar al is hij nog zo geliefd bij kinderen, met deze tovenarij heeft Premanand onder volwassenen voornamelijk vijanden gemaakt. Hij is nameli”
- in de Islam, iemand die geen inkomen of bezittingen heeft, in aanmerking voor het ontvangen van een deel van de zakat.
Vormenfakirs(plural) · fakirtje(diminutive, singular) · fakirtjes(diminutive, plural)