flɛːr
OriginUit het Frans, in de betekenis van ‘bijzondere handigheid’ aangetroffen vanaf 1890
- aanleg, talent
“Hij had flair om te praten.”
- goede intuïtie, goed vermogen om iets te onderscheiden
- obsoletegoed ontwikkeld reukvermogen, fijne neus
- positieve persoonlijke uitstraling
“We gingen zitten op het terras van Caffè Lavena. We hadden ook Florian of Quadri kunnen kiezen om ons te laten afzetten in naam van de nostalgie. Ook daar zouden we er zeker van hebben kunnen zijn dat”