/flɑŋk/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zijkant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1591
- zijkant van een samenhangend geheel
“Het legioen werd in de flank aangevallen.”
- steile zijkant van een berg
“Hij woont in de buurt, het is naar schatting de dertigste keer dat hij hier staat, met enerzijds het uitzicht op de beboste flanken van de Vogezen en aan de zuidwestkant het glooiende laagland van de ”
- sterkst stijgende of dalende deel van een elektrisch signaal
- deel van een bastion dat aan de courtine grenst
Vormenflanken(plural) · flankje(diminutive, singular) · flankjes(diminutive, plural)