flɑu
Originvia Middelnederlands flau van Oudfrans flo / flou "vermoeid, uitgeput", in de betekenis van ‘niet hartig, niet krachtig’ voor het eerst aangetroffen in 1401
- zonder smaak, meestal door een gebrek aan zout
“Deze flauwe hap kan wel wat zout gebruiken.”
- figurativelyin overdrachtelijke zin smakeloos
“Hij haalt soms de flauwste grappen uit.”
“' 'Wat zeg je?' 'Ik was dronken en maakte een flauw grapje.”
- weinig enthousiast
“Met een flauw lachje zei ze: 'Ik hoop voor u dat het het eerste is.”
- zwak
“Ze vond het een flauw verweer.”
“Ik wilde die duisternis niet in, ook al ging er een flauw licht aan op het plankier als je er iets verder op liep.”
- slap zonder kracht
“Wij waren die ochtend helemaal flauw van de honger en dorst, er was geen brood meer en bijna geen water.”
“De pa van Milan ging net zo lang door tot zijn zoon flauw was gevallen en slap aan het touw hing en zijn rug droop van het bloed.”
Formsflauwer(uninflected, comparative) · flauwst(uninflected, superlative) · flauwe(inflected, positive) · flauwere(inflected, comparative) · flauwste(inflected, superlative) · flauws(partitive, positive) · flauwers(partitive, comparative)