HerkomstLeenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘spoedig, dadelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1485
- heel snel zonder aarzelen
“Romantische liefde, familieliefde, vriendenliefde: om Valentijnsdag heen valt altijd wel iets te verzinnen. Ik ging fluks aan de slag. Lustopwekkend eten, hartjesvormen: niets was mij te gek. Dit alle”
“Regeringsgezinde media brandmerken kritische onderzoeksjournalisten als ‘spionnen’ en ‘maffia’. En ze dragen bij aan een persoonscultus die Vucic, ooit een repressieve minister van informatie onder oo”
Vormenflukser(uninflected, comparative) · flukst(uninflected, superlative) · flukse(inflected, positive) · fluksere(inflected, comparative) · flukste(inflected, superlative) · fluksers(partitive, comparative)