/ˈfokʏs/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘brandpunt’ voor het eerst aangetroffen in 1778
- brandpunt, punt waarop de meeste aandacht is gericht
“Op school ligt de focus op taal en rekenen.”
- een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen van een optisch element samenkomen
“Het focus van de kristalmonochromator van een Guiniercamera is een lijn.”
- ontstekingshaard
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van focussen
- form-ofgebiedende wijs van focussen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van focussen
Vormenfocussen(plural) · focusje(diminutive, singular) · focusjes(diminutive, plural)