ˈɣapə(n), /ˈχa.pə(n)/, /ˈɣa.pə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘de mond wijd openen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- unergativeheel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
“Hij moest gapen en trok een gek gezicht bij zijn poging het te onderdrukken.”
- met open mond vol verwondering ergens naar kijken
“Zij stond te gapen bij dat bizarre monument.”
- figurativelyeen groot gat/grote holte vertonen; wijd openstaan
“Er gaapte een diepe wond in zijn arm.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord gaap
Vormengaapte(past) · gegaapt(past, participle) · te gapen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen gapen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen gapen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gegaapt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gegaapt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gegaapt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gegaapt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · gapend(imperfect, participle) · ev.
gaap(imperative) · gape(subjunctive) · gaap(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · gaapt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · gaapt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · gaapte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · gaapte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · gaapte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · gaapten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · gaapten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)