HerkomstIn de betekenis van ‘vreugde’ voor het eerst aangetroffen in 1285
- genoegen, plezier
“Deel I bestaat uit de geschriften van een 'estheet', iemand die zijn leven in dienst stelt van zijn zintuigen en van genot en vervoering.”
“Aan de tafel bij het raam zitten Gijs en Giorgos met elkaar te kletsen onder het genot van een borrel.”
“Het was een genot om hier weer te zijn.”
- gebruik, voordeel, profijt
Vormengenotje(diminutive, singular) · genotjes(diminutive, plural)