HerkomstIn de betekenis van ‘makker’ voor het eerst aangetroffen in 1100
- makker, reisgenoot
- middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
- handwerksman die als knecht onder een baas werkt
Vormengezellen(plural) · gezelletje(diminutive, singular) · gezelletjes(diminutive, plural)