ɣəˈzɪn
Herkomstvan Middelnederlands gesinde "reisgezelschap, hofhouding", in de betekenis van ‘echtpaar met hun kinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1586
- huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
“‘Ik ben op weg naar een huisje op een vakantiepark in Venlo, een weekendje weg met ons gezin, mijn ouders en mijn zus. Dat doen wij een keer per jaar, en dit was al een half jaar van tevoren gepland.”
“Franse kinderen schreeuwen niet
Terwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb”
Vormengezinnen(plural) · gezinnetje(diminutive, singular) · gezinnetjes(diminutive, plural)