ɣran
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zaadkorrel, koren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- verzamelnaam voor eenzaadlobbige grassoorten
- het zaad van graan
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van granen
- form-ofgebiedende wijs van granen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van granen
Vormengranen(plural) · graantje(diminutive, singular) · graantjes(diminutive, plural)