ɣrɑu
OriginIn de betekenis van ‘vaalwit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1132
- masculinesnauw
- neuterde grauwe kleur
- neutergepeupel, plebs
- donkergrijs, kleurloos
“hij was de grauwe Hollandse luchten zat en vertrok naar het zonnige zuiden”
“`Ach Pietje,' zei Sint, 'in die grauwe deken ben ik toch Sinterklaas.'”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grauwen
- form-ofgebiedende wijs van grauwen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grauwen
Formsgrauwen(plural) · grauwtje(diminutive, singular) · grauwtjes(diminutive, plural)