ɣrep, /χreːp/, /ɣreːp/
Herkomstvan Middelnederlands grepe, in de betekenis van ‘het grijpen, handvat’ voor het eerst aangetroffen in 1477
- grijpende beweging om iets te omvatten, te bemachtigen
“We zijn een hoopje lichamen, huid op huid en hoofd op been, vier verschillende zelven die elkaar vormen en in de greep houden, liefhebben en soms verwensen, die zich op elkaar maar ook op de buitenwer”
- manier van aanvatten, hanteren
- toevallige, willekeurige keuze
- houvast, grip, begrip
“We hebben het over Casper, uiteindelijk komen alle lijnen uit bij hem, over zijn aanhankelijkheid, zijn verwardheid en hoe hij langzamerhand de greep op de wereld begon te verliezen, over Laurens onve”
- de hoeveelheid die men in één keer kan grijpen
- handvat
- gereedschap waarmee men grijpt of steekt
- form-ofenkelvoud verleden tijd van grijpen
“Ik greep.”
“Jij greep.”
“Hij, zij, het greep.”
Vormengrepen(plural) · greepje(diminutive, singular) · greepjes(diminutive, plural)