ɣrɛns
HerkomstIn de 12e of 13e eeuw ontleend aan het Nederduitse grenitse/grentse/grense, wat verder valt te herleiden tot het Oudpoolse granitsa (Pools: granica).
- een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
“. De grens tussen twee stroomgebieden.”
- de raaklijn tussen twee landen
“Als we geluk hebben kunnen we morgen de Poolse grens bereiken.”
“Het was nog donker toen Jack arriveerde om mij met zijn auto naar de Mexicaanse grens brengen.”
“De anderhalve dag in volkomen isolement die hier genoemd werd, was voor ons drieënhalve dag geworden: De eilanden Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee, waartussen de Zeeuws-Zuid- Hollandse grens l”
- figurativelyuiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
“Met deze acties is wat mij betreft de grens bereikt.”
“Zijn er dan toch grenzen aan het sadisme? Wie het haalt tot de laatste bocht naar links, weet het antwoord. Daar ligt weliswaar weer wat asfalt, maar het is een onvervalste muur: 24 procent. Het is hi”
“Ik heb een grens overschreden door jou, als mijn ondergeschikte, over mijn ziekte te vertellen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
- form-ofgebiedende wijs van grenzen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
Vormengrenzen(plural) · grensje(diminutive, singular) · grensjes(diminutive, plural)