ɣruj, /χruj/, /ɣruj/
OriginNaamwoord van handeling van groeien zonder -en.
- het groter worden
“Zijn groei schokte de wereld.”
“In 1972 verscheen het rapport "Grenzen aan de groei" van de Club van Rome, vijftig jaar later streven politici nog altijd naar een zo hoog mogelijke jaarlijkse economische groei”
“Ze beargumenteren op basis van hun onderzoeken onder meer dat je voor economische groei in een land vaak politieke stabiliteit nodig hebt.”
- toename in aantal
“Volgens Rico Luman, sectoreconoom transport en automotive van ING, moeten de heffingen ook niet gezien worden als een middel om Chinese auto's van de Europese markt te weren. "In het Verenigd Koninkri”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeien
- form-ofgebiedende wijs van groeien
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeien