ɣrup, /ɣrup/, /ʝrup/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verzameling’ voor het eerst aangetroffen in 1618
- uit meerdere personen, dieren of eenheden bestaand geheel
“Een groep Japanse toeristen stond volop foto's te nemen.”
“Ik voelde een immense opluchting aangezien ik dacht dat we nu veilig waren. Maar dit gevoel duurde niet lang want na een kort praatje schreef hij opeens een officiële boete uit voor de hele groep omda”
“Ik werd er ook minder dominant van, ik moest me flexibel opstellen, kreeg niet altijd mijn zin en had meer aandacht voor andere mensen die binnen groepen ook weinig zeiden.”
- deel van een installatie dat afzonderlijk is beveiligd
- groep leerlingen, klas 1, voornamelijk in het Nederlandse basisonderwijs
“Mijn dochter zit in groep vier.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
- form-ofgebiedende wijs van groepen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groepen
Vormengroepen(plural) · groepje(diminutive, singular) · groepjes(diminutive, plural)