ɣrɔnt
HerkomstIn de betekenis van ‘bodem’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
- een bepaald stuk van het aardoppervlak
“De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen.”
“De enige vlakke grond was de trail zelf dus ik hoopte dat er geen vroege hiker over me heen zou vallen in de ochtend. Maar dat gebeurde wel.”
- de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
“De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond.”
- het aardoppervlak in algemene zin
“Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond.”
“Studenten en promovendi met veel kennis van onder meer kritieke grondstoffen zijn hard nodig voor de energietransitie, zegt men ook buiten de muren van de VU. De ongeveer tachtig bachelor- en masterst”
- zeebodem
“Het schip was aan de grond gelopen.”
- figurativelyde reden of basis van gedrag, houding, standpunt of motief
“Op welke grond heb je dat gedaan?”
- figurativelyhet diepste wezen van iets of iemand
“In de grond is hij niet slecht.”
“Ik geloof in de grond van mijn hart dat er ergens iets is.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
- form-ofgebiedende wijs van gronden
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
Vormengronden(plural) · grondje(diminutive, singular) · grondjes(diminutive, plural)