hart
Herkomstvan Middelnederlands hert, in de betekenis van ‘stookplaats’ aangetroffen vanaf 1350
- plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
“Hij warmde zijn koude handen bij de haard.”
“De haard is aangestoken en het vuur brandt fel en verkwikkend op de haardijzers.”
“Hebt u het portret gezien boven de haard? U herkent zonder twijfel de markante en nobele trekken van Niccoló Paganini. Ik zal de eerste zijn om uw gelijk te beamen wanneer u zegt dat het in schilderku”
- figurativelyplaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt
“De haard van deze aardbeving bevond zich recht onder die stad.”
Vormenhaarden(plural) · haardje(diminutive, singular) · haardjes(diminutive, plural)