/hast/
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spoed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1237
- de drang hebben om iets snel te doen
“Ik heb haast.”
“Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.”
“Ik begrijp al die haast van tegenwoordig niet. Wij vonden 25 kilometer per dag al prima, terwijl jullie nu ruim 40 kilometer per dag doorjakkeren.”
- bijna
“Dingen die lekker lang duren, lijken haast niet meer te mogen.”
“Hij wist haast geen woord uit te brengen.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van haasten
- form-ofgebiedende wijs van haasten