/ˈɦalə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘(bij zich) brengen, bemachtigen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
- transitiveergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
“Hij is even vrienden van het station aan het halen.”
“De andere kinderen zochten hout, zetten tenten op en haalden water.”
- bereiken van een doel
“Al snel zag ik in dat ik op deze manier Canada nooit zou halen, maar vooralsnog genoot ik van elke bloem.”
“‘Alle antimaterieontdekkingen zijn iets heel interessants. Dit is er een die nog ontbrak’, zegt Dönigus. Zijn onderzoeksgroep gebruikte kunstmatige intelligentie (machine learning) om gegevens te anal”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord haal
Vormenhaalde(past) · gehaald(past, participle) · te halen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen halen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen halen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gehaald(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gehaald(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gehaald zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gehaald te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · halend(imperfect, participle) · ev.
haal(imperative) · hale(subjunctive) · haal(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · haalt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · haalt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · haalde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · haalde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · haalde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · haalden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · haalden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)