/ɦaːrən/
HerkomstIn de betekenis van ‘een zeis scherpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343
- toponymicdorp ten zuiden van de stad Groningen
- intransitivehaar verliezen
“Wat is de hond weer aan het haren”
- transitiveeen zeis of zicht scherpen (met een haarhamer en haarspit)
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord haar
“Olive voelde zijn trots voor haar in de manier waarop hij haar haren beetpakte, zijn lippen langs haar hals liet glijden en verder naar beneden, onder de smaragden die waren verwarmd door haar huid.”
“'Een zeebriesje streelt je haren ' Even ontspande ik, maar toen ik wegdoezelde lag Linda naast me.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord hare
Vormenhaarde(past) · gehaard(past, participle) · te haren(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen haren(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen haren(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gehaard(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gehaard(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gehaard zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gehaard te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · harend(imperfect, participle) · ev.
haar(imperative) · hare(subjunctive) · haar(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · haart(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · haart(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · haarde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · haarde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · haarde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · haarden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · haarden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)