ˈhɛidə, /ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
OriginIn de betekenis van ‘plant, grond met heideplant begroeid’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- een met heidekruid begroeide vlakte
“Zijn huis staat in het midden van een grote heide.”
- uitgestrekte, onbebouwde zandgrond
- form-ofenkelvoud verleden tijd van heien
“Ik heide.”
“Jij heide.”
“Hij, zij, het heide.”
Formsheides(plural) · heiden(plural) · heidetje(diminutive, singular) · heidetjes(diminutive, plural)