ˈhekəl
Herkomst[1] van Middelnederlands hekel, in de betekenis van ‘vlaskam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485
- een werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
“Hij haalde de bundel hennepvezels over de hekel.”
- sterke afkeer
“Hij had een enorme hekel aan de herrie van zijn buren.”
“Albert kon haar wel duizend keer uitleggen dat dat er niets mee te maken had, zijn moeder was niet van het soort dat zomaar van mening veranderde, zij vond altijd weer andere voorbeelden en redenen, e”
“Inmiddels begint ze zélf een hekel aan de geur te krijgen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hekelen
- form-ofgebiedende wijs van hekelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hekelen
Vormenhekels(plural)