ˈhetə(n), /'ɦe.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘de naam dragen’ voor het eerst aangetroffen in 1200.
- copulativeop een bepaalde wijze genoemd worden
- zelfstandig werkwoord in de betekenis 'de naam hebben'.
“Hij heet Jan.”
“Het was altijd een feest als ik op een kleine waterbron recht uit de berg stuitte. Dit frisse water uit de ondergrondse meren (aquifers geheten) dronk ik direct uit de berg, zonder het te hoeven filte”
“Ze heette heel toepasselijk Jetfighter en alle standaardvragen passeerden de revue: ‘waar kom je vandaan’, ‘wanneer ben je begonnen?’ en ‘hoeveel liter neem je mee?’.”
- copulativeeen bepaalde reputatie hebben
“Hij heet een goede leerling [te zijn].”
- transitiveheet maken
Vormenheette(past) · (verouderd) hiet(past) · geheten(past, participle) · [A] heten(canonical) · geheet(past, participle) · [B] heten(canonical)