/'ɦevəl/
HerkomstIn de betekenis van ‘gebogen buis om vloeistoffen over te tappen’ voor het eerst aangetroffen in 1736
- obsoletegist, zuurdeeg
“Hevel, ofte hef-deegh, Leave, or sowre dow.”
- een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
“Met een hevel kun je gemakkelijk water uit een aquarium verwijderen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hevelen
- form-ofgebiedende wijs van hevelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hevelen
Vormenhevels(plural) · heveltje(diminutive, singular) · heveltjes(diminutive, plural)