/ɦoːft/
HerkomstIn de betekenis van ‘kop’ voor het eerst aangetroffen in 901
- bovenste deel van het menselijk lichaam boven de hals, waarin zich de hersenen en oren, ogen en neus bevinden
“Vroeger werden misdadigers van het hoofd ontdaan.”
“Na een gigantische knal vlak boven ons hoofd stonden de stoere jonge gasten binnen tien seconden ook binnen. Zelfs zij waren zich rot geschrokken van de klap, en beseften dat het nu menens was. De mee”
- figurativelyhoogste of voorste deel van een geheel
“Aan het hoofd van de tafel stond een beeldje.”
- figurativelybelangrijker, hoogste
“Je moet hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden.”
- figurativelyiemand die leiding geeft aan een onderdeel van een organisatie
“Hij is het hoofd van de afdeling.”
“Het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland, kardinaal Eijk, zegt dat paus Franciscus een groot hart had voor de zwakkeren in de samenleving. "Dat liet hij steeds weer blijken in zijn teksten ”
- haaks op een rivieroever of kust aangelegde krib, dam, golfbreker of (wandel-) pier
“Op de hoofden zijn altijd wel hengelaars aan het vissen.”
- uitgebouwde aanlegsteiger of losplaats
- kernwoord van een constituent 2 (meestal een zelfstandig naamwoord of werkwoord)
Vormenhoofden(plural) · hoofdje(diminutive, singular) · hoofdjes(diminutive, plural)