/horn/
Originerfwoord via Middelnederlands horn van Oudnederlands horn
**[1] in de betekenis van ‘uitsteeksel aan dierenkop’ aangetroffen vanaf 901
**[5] in de betekenis van ‘blaasinstrument’ aangetroffen vanaf 1300
- hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
“De koe had grote hoorns.”
- uitwas die op een hoorn lijkt, bijvoorbeeld bij insecten
- gedraaide schaal van sommige weekdieren
“Zij vonden allerlei hoorns toen ze langs het strand liepen.”
- een (elektro-) akoestische versterker, bijvoorbeeld het hoor- en spreekgedeelte van een telefoon
“Hij legde de hoorn direct neer nadat hij hoorde wie er aan de telefoon was.”
- blaasinstrument dat oorspronkelijk gemaakt werd van een hoorn, maar tegenwoordig vaak van een gewonden koperen buis met ventielen, en een brede klankbeker
“Wij kunnen wel aardig op de hoorn spelen.”
- stof waaruit de hoorns van bepaalde dieren bestaan
“Bestaan hoorns werkelijk uit hoorn?”
Formshoorns(plural) · hoorntje(diminutive, singular) · hoorntjes(diminutive, plural)