iˈmaɣo
Herkomstvan Latijn imago
**[1] in de betekenis van ‘voorstellingsbeeld’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961
**[2] in de entomologische betekenis sinds zeker 1880 al bekend
- bepaald beeld dat van een persoon of instelling bestaat
“Het imago oppoetsen.”
“Het consternatiebureau, met de baby naar de apk of ‘we moeten weer naar de babystasi’: het imago van het consultatiebureau is niet altijd even positief. Toch gaan we massaal: slechts 5 procent van all”
“Ben & Jerry's laat via Twitter weten dat het niet achter het besluit van Unilever staat. Het ijsmerk, dat een activistisch imago heeft, haalde het ijs eerder van de Israëlische markt omdat de verkoop ”
- resultaat van de volledige gedaanteverwisseling bij een insect
“Als volwassen imago zijn de soorten zeer moeilijk van elkaar te onderscheiden maar bij de nimfen is dat anders en is het verschil tussen de soorten voor een geoefend oog goed te zien.”
Vormenimago's(singular) · imagootje(diminutive, first-person) · imagootjes(diminutive, singular) · imagines(singular)