HerkomstIn de betekenis van ‘bijenhouder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886
- iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
“De imker werd gestoken door één van zijn bijen.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van imkeren
- form-ofgebiedende wijs van imkeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van imkeren
Vormenimkers(plural) · imkertje(diminutive, singular) · imkertjes(diminutive, plural)