/jɑxt/
HerkomstIn de betekenis van ‘het vervolgen van dieren’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- feminine, masculine/ het achtervolgen van wilde dieren met als doel ze te doden en op te eten
“Liefhebbers van de jacht op groot wild hadden vaak als eersten oog voor het belang van natuurbescherming.”
“' Teresa bloosde weer, want zo dacht ze inderdaad, pragmatisch, als een jakhals op jacht naar vlees.”
“Zwaluwen doken om mijn oren en voor me uit. Soms vlogen ze zo laag tijdens hun jacht op insecten dat ik ze bijna kon aanraken.”
- feminine, figuratively, masculine/ het achtervolgen van (vermeende) misdadigers door o.a. de politie
“En aan de linkerzijde had je een zootje ongeregeld dat - ondanks de plakkaten die Harold in Malaga had zien hangen, waarop hun werd gesmeekt om hun politieke beweging en vakbonden niet langer te schan”
- neutereen snel vaartuig
- neuter, obsoleteeen snel bewapend vaartuig voor verkenning
- neutereen sportvaartuig
- neutereen pleziervaartuig
“Te Vlissingen lag er een jachtje bereid om naar Oost-Indië te varen.
Op de voorplecht stond er een cupido die er speelde op zijn vergulde snaren.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van jachten
- form-ofgebiedende wijs van jachten
Vormenjachten(singular) · (jachtje)(diminutive, second-person) · (jachtjes)(diminutive, singular)