ˈjaɣər
HerkomstNaamwoord van handeling van jagen met het achtervoegsel -er
- iemand die op jacht gaat
- vliegtuig dat vooral bedoeld is om vijandelijke vliegtuigen en luchtafweer uit te schakelen
- type schip van de marine
- infanteriesoldaat van een jagerbataljon
- benaming voor roofmeeuwen, behorend tot de familie Stercorariidae
- driehoekig zeil vooraan
- sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem (tussen rechte klimming 4ᵘ4 en 6ᵘ35ᵐ en tussen declinatie −11° en +23°)
“Ze hief haar hoofd op en keek naar het sterrenbeeld van de Jager.”
- familienaam
“„Zie het als een ui afpellen”, beschrijft Jager het proces.”
Vormenjagers(plural) · jagertje(diminutive, singular) · jagertjes(diminutive, plural)