HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘overscharige kaart’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1948
- persongrappenmaker, komiek, komisch figuur, nar, paljas
“Hij was verkleed als een joker.”
- een kaart met een afbeelding van een nar, die niet tot de vier speelkleuren behoort en daardoor op allerlei manieren inzetbaar is; bij uitbreiding ook gebruikt andere soorten spellen
“De rol van de joker verschilt van spel tot spel.”
- figurativelyiets wat of iemand die op allerlei manieren kan worden ingezet om een bepaald doel te bereiken of bijv. uit een impasse te komen
- een teken met een willekeurige waarde
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jokeren
- form-ofgebiedende wijs van jokeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jokeren
Vormenjokers(plural) · jokertje(diminutive, singular) · jokertjes(diminutive, plural)