/ˈjoːnɑs/
Herkomstzn eponiem van Jonas en / Jona en , de profeet uit het naar hem genoemde boek uit de Bijbel, die veel tegenspoed moest doorstaan
- persononnozel persoon die veel tegenslag heeft
“Het gevaar dat hij de jonas van het toernooi zou worden, waar Magnus Carlsen in het begin een vileine grap over had gemaakt, was geweken.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jonassen
- form-ofgebiedende wijs van jonassen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jonassen
- andere weergave van de naam Jona, een profeet
“Het idee dat walvissen onheil voorspelden, kwam uit de Bijbel - Jonas en de walvis.”
- masculine, namejongensnaam
“Een groepje vrienden, onder wie geschiedenisleraar Jonas Goossenaerts, wist de coronatijd nuttig te besteden door thuis geschiedenislessen op te nemen.”
- form-ofverouderde spelling of vorm van jonas tot 2006
Vormenjonassen(plural) · Jonas'(genitive, singular)