ˈjʏdɑs
Herkomsteponiem van Judas, de Bijbelse figuur Judas Simonszoon Iskarioth , die Jezus voor geld verried (Marcus 14:10-45
**[2] via Frans judas
- kijkgaatje in een deur
“Een celdeur met een judas .”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van judassen
- form-ofgebiedende wijs van judassen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van judassen
- naam van meerdere personen in de Bijbel
- een van de Levieten die een niet-Joodse vrouw had (3 Ezra 9)
- Judas Makkabeüs, leider van de Joodse opstand tegen de Seleuciden in de 2e eeuw v.Chr. (1 Makk. en 2 Makk., bijv. 1 Makk. 2:4, 3:1 e.v., 4:3 e.v., 5:3 e.v., 6:19 e.v., 7:6 e.v., 8:1 e.v., 9:5 e.v., 13:8, 14:18, 2 Makk. 1:10 2:14,20, 5:27, 8:1 e.v., 12:5 e.v., 13:1 e.v., 14:6 e.v., 15:1 e.v.)
- Judas, zoon van Calfi, een overste in het Joodse leger tijdens de opstand tegen de Seleuciden in de 2e eeuw v.Chr. (1 Makk. 11:69)
- Judas, zoon van Simon en neef van Judas Makkabeüs (1 Makk. 16:2 e.v.)
- Judas de Galileeër, leider van een Joodse opstand tegen de Romeinen in 6 n.Chr. (Hand. 5:37)
- Judas of Juda, de broer van Jezus (Matt. 13:55, Marcus 6:3, 14:10 e.v.)
- Judas Iskariot, zoon van Simon, discipel van Jezus die hem verraadde (Matt. 10:4, 26:14, 27:3, Marcus 3:19, Luc. 6:16, 22:3, Joh. 6:71, 12:4, 13:2, 18:2 e.v., Hand. 1:16,25)
- Judas Taddeüs, broer van Jacob, discipel van Jezus (Luc. 6:16, Joh. 14:22, Hand. 1:13, Jud.)
- Judas, een christen die Salulus in Damascus onderdak gaf in de 1e eeuw n.Chr. (Hand. 9:11)
- Judas Barsabas, leider van de christenen in Jeruzalem in de 1e eeuw n.Chr. (Hand. 15:22 e.v.)
- boek in de Bijbel, in de vorm van een brief van Judas Taddeüs
Vormenjudassen(plural) · judasje(diminutive, singular) · judasjes(diminutive, plural) · Judas'(genitive, singular)